beesel_picture1De Grauwe Beer is in onderdelen per schip naar Beesel gebracht. Aan de Loswal zijn de onderdelen met een mallejan naar de Sint Anthoniusstraat vervoerd, alwaar een onderbouw gemetseld werd met een berg er omheen.
 
De onderbouw werd gebouwd met enkel een toog die de enige toegang tot de molen bood vanaf de begane grond. De ingangspoort met loopdeur was achter in de toog (zie foto), zoals dat nog steeds bij veel molens terug te zien is.
In 1926 is de molen uitgebreid met een dieselmotor. Hiervoor werd een machinekamer links van de inrijpoort gebouwd. In het betondek, aan de voorkant, werd met kiezelsteentjes het jaar 1926 gelegd.
 
De achtkante molen werd op de molenberg herbouwd. Er is uiterlijk weinig aan de molen veranderd. Het gevlucht (de wieken) waren allemaal hetzelfde gebleven. De staart kreeg een lier in plaats van het rad dat de molen in Zaandam had. Het rietdek werd vervangen door een geteerde verticale beplanking. (meer elders op de site, klik hier)
 
Van houtzaag naar korenmolen
 

Van houtzaagmolen naar korenmolen

In Beesel moest de molen worden omgebouwd van houtzaagmolen naar korenmolen. De zolderindeling van de Grauwe Beer was hiervoor niet zo gunstig. De houtzaagmolen had enkel twee zolders, de kapzolder en een krukzolder. Op deze laatste zolder lag een krukas die de zaagramen in de zaagschuur had bediend.
De krukzolder is in Beesel gebruikt om de molenstenen op te stellen. De kapzolder herbergt het spoorwiel en de aandrijvingen naar de steenspillen. Dat betekende dat op de nieuwe korenmolen niet meer op de kapzolder gelopen kon worden en dus eigelijk géén kapzolder meer had. Om de steenspillen te lageren werden twee sleutelbalken aangebracht waartussen de ijzerbalken voor de steenspillen kwamen te liggen.
Om het meel op te vangen moest er een maalzolder komen en deze is aangebracht tussen de begane grond en de steenzolder (voorheen krukzolder). Deze kwam hoger te zitten dan de belthoogte. Iets dat uitzonderlijk is omdat, in Zuidoost-Nederland, vrijwel altijd de maalzolder op belthoogte te vinden is. Dit is gedaan omdat in het achtkant een veldregel bezit op de gebruikte hoogte. Een veldregel is nodig om de vloer te kunnen dragen op de buitenkant tegen de romp aan. Deze veldregel is er dus niet later ingebracht maar was in het Zaanse tijdperk al aanwezig.

De onderdelen voor de korenmolen zijn tweedehands geweest. Waarschijnlijk uit een watermolen. Waar ze vandaan komen is echter totaal onbekend.
Meer technische informatie over het ombouwen van houtzaagmolen naar korenmolen klik hier.
 

Stroomlijn wieken

In 1952 werd de Grauwe Beer hersteld van oorlogsschade. De as was in 1945 door een voltreffer van een Schotse granaat gebroken. De firma Adriaens uit Weert ging de molen herstellen. Een nieuwe as werd gevonden in de molen van Thorn die ontakeld ging worden. Ook het wiekenkruis werd meegenomen.

De Zeldenrust in ThornMet paard en wagen werden de 2 ton zware as en de even zo zware roeden naar Beesel gebracht. Bij het oversteken van de spoorweg in Swalmen brak een roede uit de ketting en viel op het spoor. Snel moest het paard uitgespannen worden om het de roede van het spoor te kunnen laten trekken.
De ruim 25 meter lange roeden moesten in Beesel ingekort worden naar 22 meter. Het betroffen twee verschillende roeden. Een was vervaardigd in Kinderdijk door de gebroeders Pot en de ander door de firma Franssen uit Vierlingsbeek.

Dit gevlucht van 'De Zeldenrust' uit Thorn had stroomlijnprofielen volgens het systeem van Van Bussel. Tegenwoordig bezit de Grauwe Beer nog steeds Van Busselneuzen. Deze zijn geheel in roestvrij staal uitgevoerd. (meer hierover bij
technische gegevens)
 

Verval

In de jaren na het oorlogs herstel blijkt de molen niet goed te functioneren. De Grauwe Beer verliest telkens de kammen uit het aswiel. Hub Beijk repareert dit maar telkens weer verliest het aswiel kammen. Later werd molenmaker Hendrix uit Heel gevraagd, die uren heeft zitten vijlen in de kap om het gangwerk zo nauwkeurig mogelijk afgesteld te krijgen. (oorzaak hiervan, zie elders op deze site: Klik  hier)

Lekkage had zag inmiddels ook laten gelden. Halverwege de jaren '60 blijkt dat de stijlen op de zuidwest en west kant van de grenenhouten achtkante molen ernstig aan het inrotten zijn. De molen vertoond verzakkingverschijnselen. Hierdoor was tijdens het kruien de kap uit zijn Engels kruiwerk gelopen en kwam scheef op de romp te liggen. Op foto's uit die tijd goed te zien. Malen was niet meer mogelijk. Nico Maas en Gerrit Smit, molenmakers uit Zaandam, komen naar Beesel om de Grauwe Beer recht te zetten. Ze logeren bij Jan Theelen boven de Drakebôch. Echter bij het omhoogvijzelen van de stijlen blijken deze in elkaar gedrukt te worden. "Die molen was af" zei Maas, waarmee hij bedoelde dat de molen niet meer te repareren was. Slechts een algehele restauratie kon de molen redden.
 

Restauratie

In 1980 wordt groen licht gegeven om de zwaar vervallen Grauwe Beer te restaureren. Hierbij wordt het plan opgevat de molen meteen te verplaasten naar een plaats waar de molen beter wind kon vangen. Hiervoor gaf de Rijksdienst van Monumentenzorg toestemming indien er ook een plaats gevonden werd die windvang in de toekomst kon garanderen.
 
beesel_picture3Tevens wilde men destijds de molen laten verhogen. Hiervoor gaf de Rijksdienst voor monumentenzorg terecht géén toestemming. In tegenstelling tot de overtuiging van sommigen is de molen nooit hoger geweest en heeft dus ook nooit een grotere vlucht gehad. Het was historisch gezien een blunder geweest de molen op te hogen nog afgezien van praktische nadelen. De Grauwe Beer heeft een normale vluchtlengte, al zijn de meeste Limburgse molens groter van vlucht. De vluchtlengte van Limburgse molens heeft echter te maken met het feit dat ze gebouwd zijn met onderdelen van overbodig geworden poldermolens, die eenmaal grote vluchten hebben. (Meer over het waarom de molen niet hoger geweest kan zijn bij technische gegevens)
 
In 1981 wordt de Grauwe Beer aan de Sint Athoniusstraat afgebroken. De onderbouw wordt geheel gesloopt en de achtkante molen wordt in onderdelen naar Afferden vervoerd. Al tijdens de afbraak bleek dat de molen er nog slechter aan toe was dan men al gedacht had. Er wordt dan besloten het achtkant geheel opnieuw te maken met enkel gebruik van de oude legeringsbalken.

Omdat het achtkant van grenenhout gemaakt was, werd uit de Ardennen wederom grenenhout gehaald. Echter het nieuwe hout is van Amerikaanse oorsprong (Douglas). Tijdens het zagen blijkt dat er in de bomen nog granaatscherven uit de Tweede Wereldoorlog te zitten. Dit kost enige zagen.
 

Herbouw

De nieuwe Grauwe BeerIn Afferden wordt de romp van de Grauwe Beer dan weer nieuw gereconstrueerd naar oud model. De manieren van verbindingen zijn naar oud voorbeeld. De draagbalken (legeringsbalken) van de maalzolder (2 i.p.v. 4) worden nu echter in de stijlen gewerkt en worden met korbelen geschoord (zie dwarsdoorsnede bij gegevens) Deze verbindingen worden ook anders uitgevoerd dan de bestaande verbindingen. De karakteristieke zware houtzagers-legeringsbalken van de maalzolder worden in een andere houtsoort uitgevoerd. De nieuwe legeringsbalken werden in eiken uitgevoerd, terwijl de oude, net als de rest van het achtkant, uit grenen waren.

De kap van de molen wordt geheel nieuw gemaakt. Slechts de as, het aswiel, de vangtrommel en het sabelijzer worden uit de oudekap hergebruikt. De nieuwe kap wordt vervolgens geheel anders van constructie. Het is een kap zoals die in het Limburgse vaak gezien wordt, maar die vrijwel geen van de typische Zaanse constructie kenmerken terug kreeg. (steunderbalk, broekbalken, geschoorde keerstijl).
Aan de Maas in het Kerkveld wordt dan door aannemer Van der Borst een nieuwe onderbouw gemetseld. Ook hierbij is niet goed gekeken naar de onderbouw die eerder is afgebroken. De toog (inrijpoort) werd een stuk kleiner gemaakt. Wel werd er weer een soort machinekamer bij de molen gebouwd maar nu aan de andere kant van de inrijpoort dan voorheen. Reden is ook hier niet duidelijk. Blijkbaar werd de historie niet zo belangrijk gevonden. Een onbruikbaar geworden molensteen werd in een keermuurtje gemetseld. Een keermuurtje dat er bij de oude molen niet was. De deuren van de invaart werden in kozijnen opgehangen, iets dat geen historisch voorbeeld kent. Zo leek de nieuwe onderbouw vrijwel niet meer op de oude.

In 1983 komt de geheel gerestaureerde Grauwe Beer terug naar Beesel. Met een kraan wordt het achtkant gericht. Vervolgens timmeren Harrie Beijk met zijn knecht Bart van der Ven de molen verder af.
 
Op 8 oktober 1983 vindt er een opening plaats en is Beesel weer een werkende molen rijk. Een molen die er weer jaren tegen kan. Constructief was De Grauwe Beer weer gezond.
 
 
Literatuurverwijzing:

De Molens van Limburg, P.W.E.A. Van Bussel 1990
blz 482

Jaarboek Maas- en Swalmdal 2, W. Luys (1982)
"De beltkornemolen "De Grauwe Beer" blz. 92-114

Voorheen Zaanse Molens, Remco van den Berg

Bronnen:

Coen Luttels
Wiel Niessen
George Adriaens
Piet Cuypers
Nico Maas
Gerrit Smit
Laatst aangepast op vrijdag 07 januari 2011 15:30